Leven met Een cursus in wonderen

Beste lezer,

Hieronder vind je de vertaling van een van de vele artikelen die Kenneth Wapnick in de loop der jaren in THE LIGHTHOUSE, Newsletter of the Foundation for A Course In Miracles heeft gepubliceerd.

Ik ben erg blij dat de Foundation for A Course In Miracles ons toestemming geeft de Lighthouse artikelen van Kenneth Wapnick te vertalen en te publiceren.
Beide vertalers, Erna Berendsen en Do van der Steen verrichten uitstekend werk met het vertalen van dit zeer behulpzame werk van Kenneth Wapnick. Ook Cursusstudenten die de Engelse taal minder machtig zijn kunnen nu van zijn werk genieten.

Het onderstaande artikel werd gepubliceerd in: Volume 23 Number 4 December 2012
De oorspronkelijke titel van het artikel is:

‘LIVING A COURSE IN MIRACLES
As Wrong Minds, Right Minds, and Advanced Teachers.’

Veel lees- en leerplezier.

Annelies Ekeler
Uitgever

 


LEVEN MET EEN CURSUS IN WONDEREN

Als onjuist-gerichte denkgeesten, juist-gerichte denkgeesten en gevorderde leraren.

Al vanaf dat ik Een cursus in wonderen begon te lezen, was ik onder de indruk van de manier waarop hij een diepzinnige metafysische kijk op de wereld – een zuiver non-dualisme – integreert met zeer specifieke richtlijnen die hun wortels hebben in het monumentale werk dat Freud heeft verricht in het begrijpen van de dynamiek van het ego (zijn psyche). Het is deze integratie die het mogelijk maakt volledig in een dualistische wereld te leven, en toch tegelijkertijd de werkelijkheid van de volmaakte non-dualistische eenheid van de Hemel te weerspiegelen. Ik zou zelfs willen beweren dat deze integratie van een Vedanta-achtig non-dualisme met een weldoordachte psychologie juist datgene is wat meer dan enig ander kenmerk de Cursus uniek maakt onder de geestelijke stromingen in de wereld, zowel oude als hedendaagse. En verder is het de beoefening van zijn principe van vergeving die de metafysica van Een cursus in wonderen tot meer maakt dan louter “filosofische bespiegelingen”(VvT.In 1:1). Zoals de Cursus over zichzelf zegt betreffende de verhouding van de oefeningen in het werkboek tot de theoretische tekst:

Een theoretische fundering zoals het tekstboek die verschaft, is als kader noodzakelijk om de oefeningen in dit werkboek zinvol te maken. Maar pas het doen van de oefeningen maakt het doel van de cursus mogelijk. (W.In.1:1-2)

Het onderwijs van de Cursus over de illusoire aard van een wereld die hier niet is, betekent uiteindelijk niets voor ons die, wanneer we opstaan, werken en slapen gaan, leven aan de hand van haar wetten van tijd en ruimte (WdI.169.10), tenzij we de waarheid van de Cursus weerspiegelen door iedere dag met vriendelijkheid en mededogen voor alle levende en niet-levende dingen door te brengen. Dit artikel zal de verschillende vormen bespreken die onze levens kunnen aannemen als schijnbare lichamen die met andere schijnbare lichamen in wisselwerking lijken te zijn: onjuist-gerichtals speciale ego’s, juist-gericht, in overeenstemming met Christus’ visie van vergeving, en tenslotte als die gevorderde leraren die zo ver gekomen zijn dat ze hun leven eraan wijden Zijn genezende Liefde door hen heen naar andere denkgeesten te laten uitbreiden.

Aangezien het ego eerst spreekt (T5.VI.3:5), beginnen we met een kijkje in hoe zijn denksysteem van afscheiding en speciaalheid ons dagelijks leven bestuurt, terwijl we niet vergeten dat het ego erg verraderlijk is en heel sluw kan klinken als de Heilige Geest! Toch zijn er specifieke aanknopingspunten waar we naar kunnen zoeken die ons kunnen helpen door het spirituele vernisje van het ego heen te breken. Zo kunnen we zijn verborgen bedoeling, namelijk het versterken van illusies, onthullen, wat ons in staat stelt ons voorbij zijn subtiele voorwendsels naar de waarheid te bewegen (zie bijv. T11.V.1).

Hoe onjuist-gerichte denkgeesten in de wereld leven:

De vloek van het ego: speciaalheid

Er zijn natuurlijk de voor de hand liggende manieren waarop de onjuist-gerichte denkgeest in de wereld leeft: woede, oordeel en gescheiden belangen. Deze volgen het kernprincipe van het ego: de één of de ander, de één wint, de ander verliest – ik kan niets hebben zonder het van jou af te pakken. Dit weerspiegelt de vierde wet van de chaos van het ego,  je bezit wat je genomen hebt (T23.II.9:3). We kennen allemaal deze uitdrukkingen maar al te goed van wat Een cursus in wonderen speciale haat-relaties noemt – in onszelf en in anderen in onze persoonlijke wereld, om maar te zwijgen van de wereld in het algemeen – en dus hoeven we er hier niet verder bij stil te staan.

Moeilijk te zien echter, zijn de verraderlijke reacties van het ego die zo spiritueel en in overeenstemming met de Cursus lijken, namelijk de speciale liefdesrelaties die veel verwoestender zijn dan speciale haat. Zoals mijn vrouw Gloria, een voormalig geschiedenislerares, vaak zei: “Je bent beter af met een Hitler dan met een leider die alleen maar voorgeeft democratisch te zijn, omdat je dan tenminste weet waar je aan toe bent.” Het was uiteindelijk niet Hitlers schuld dat de wereld zijn Mein Kampf niet serieus nam, een van haat doortrokken traktaat van een opgeblazen ego, dat hij schreef toen hij als jongeman in de gevangenis zat.

Studenten van Een cursus in wonderen verbinden ‘Cursus-spiritualiteit’ vaak met vorm: de gedragingen waarvan zij geloven dat ze de principes van vergeving weerspiegelen, terwijl ze geen acht slaan op Jezus’ waarschuwing in Het lied van het gebed over het plaatsen van vergeving “in een aards kader” (L2.III.7:3). Dit betekent dat ze niet begrijpen dat het proces van vergeving in werkelijkheid niet plaatsvindt met iets lichamelijks of iets buiten ons.

Ik herinner me dat vele jaren geleden tijdens de inval van Amerikaanse strijdkrachten in Irak in 1991 (waar soms naar verwezen wordt als de Eerste Golfoorlog), een echtpaar tijdens een workshop van de Foundation trots verkondigde, dat, toen het nieuws kwam met geluids- en beeldverslagen van de gevechten, zij vanuit hun denkgeest licht straalden naar het televisietoestel, om zo het egodenksysteem van oorlog waarnaar zij keken te bestrijden. Hun vergissing was natuurlijk, dat dit overigens goedbedoelde gedrag de werkelijkheid van het haatdragende ego-principe de één of de ander (het goede tegen het kwade) alleen maar versterkte, terwijl ze het werkelijk maakten door zich ertegen te moeten verdedigen (“verdedigingen doen wat ze geacht worden te verdedigen” T17.IV.7:1).

Het zou veel meer in lijn met de lessen in de Cursus over vergeving zijn geweest, als zij de schuld en het oordeel in zichzelf hadden herkend, die maakten dat zij van streek raakten over de ego’s die op het nieuws getoond werden – slachtoffers en daders. Dit zou de deur naar hun denkgeest hebben geopend en hen in staat hebben gesteld het ego de macht te ontzeggen hen te beïnvloeden. Ze zouden de weerstand van hun denkgeest tegen het loslaten van het krankzinnige idee dat het ego het probleem was, hebben vergeven, terwijl ze in plaats daarvan zouden hebben geaccepteerd dat het probleem de beslissing van hun denkgeest was om in het ego en de macht van zijn denksysteem van haat en dood te geloven.

Daar komt nog bij dat deze schijnbaar goedbedoelde handeling van het uitstralen van licht niet alleen gemeengoed is onder studenten, die zo bespeurd kwaad denken af te weren, maar ook algemeen is in haar meer ‘positieve’ vorm van het sturen van licht naar probleemgebieden in de geo-politieke wereld of in individuele lichamen. Nogmaals, deze vormen versterken slechts het geloof in de werkelijkheid van het denksysteem van het ego en diens wereld van afscheiding. Ze zijn een overtuigende dekmantel voor het werkelijke probleem, het geloof van onze denkgeest in het ego:

Alleen jouw trouw aan het ego geeft het enige macht over je.…. Het ego is niet meer dan een deel van wat jij over jezelf gelooft…. Het is op jouw denkgeest aangewezen, en zoals jij het gemaakt hebt door erin te geloven, zo kun je het ook doen verdwijnen door jouw geloof eraan te onttrekken. Projecteer de verantwoordelijkheid voor je geloof erin niet op iemand [of iets] anders, of je zult het geloof instandhouden (T4.VI.1:2,6; T7.VIII.5:2,3).

Als de Cursus in zonde zou geloven, wat hij natuurlijk niet doet, dan zou het werkelijk maken van de vergissing de zwaarste zonde van alle zijn, gelijkstaand met de godslasterlijke zonde tegen de Heilige Geest die nooit vergeven kan worden (vgl. Marcus 3:28-29). Zoals Jezus ons waarschuwt: “Zie geen fouten. Maak ze niet tot werkelijkheid”. (L2.I.3:3,4) De fout is nooit buiten ons, omdat er geen buiten ons is! Jezus zegt ook: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen”. (T21.In.1:7)

Een andere manier waarop het ego, verborgen onder de sluier van welbewuste oprechtheid, ons dagelijks leven bestuurt is wanneer Cursusstudenten proberen de vormen waarmee het ego bij de wereld betrokken is te vermijden, in de veronderstelling dat ze daarmee het egodenksysteem verzwakken. Goedwillende studenten willen vaak niet werken in beroepen die te maken hebben met het lichaam of met een gedachtesysteem van oppositie, en kijken helaas neer op mensen die dit wel doen. Hoewel het alles behalve een uitputtende lijst is, betreft het alle medische beroepen, of beroepen die met wetten en recht, of met verschillende soorten verzekeringen te maken hebben.

Net als veel voorstanders van Christian Science, kunnen deze oprechte studenten zowel reguliere als alternatieve medische zorg verwerpen, terwijl ze beweren dat ze het lichaam geen macht willen geven. Soms weigeren ze, met de Cursus als reden, zitting te nemen in een jury. Of ze zeggen verzekeringen op, omdat dit het ontstaan van ego-rampen zou ‘oproepen’, waarmee ze juist het geloof van het ego in de werkelijkheid van lineaire tijd (verleden, heden en toekomst) versterken. Wat dit zelfs erger maakt zijn ook weer de oordelen over anderen die zich bezondigen aan zulke ‘niet-spirituele handelingen’, waardoor ze hun eigen speciaalheid versterken – in hun eigen ogen althans – dat ze ware studenten van Een cursus in wonderen zijn.

Deze studenten kunnen eveneens om hun positie te schragen de lessen 136 (“Ziekte is een verdediging tegen de waarheid”), 153 (“In mijn verdedigingsloosheid ligt mijn veiligheid”) en 194 (“Ik leg de toekomst in Gods Handen”) citeren. Zulke citaten zijn op zijn zachtst gezegd ongelukkig gekozen, omdat studenten onbewust proberen hun vaak onvriendelijke en veroordelende gedrag met de woorden van de Cursus te maskeren, de inhoud van het ego verbergend achter de vorm van de Cursus.

Met andere woorden, de vergissing in al deze ‘spirituele activiteit’, is dat deze de nadruk legt op iets buiten ons dat als een bedreiging wordt gezien, terwijl men de kracht van het verdedigingssysteem van de denkgeest met zijn ontkenning en projectie, niet wil zien. Om Jezus’ woorden over Christenen te gebruiken: “Veel oprechte Cursusstudenten hebben dit verkeerd begrepen” (T3.I.1:3).Wat men vergat is dat, aangezien er geen wereld buiten ons is (zie bijv. WdI.132.4-6), er geen hiërarchie van illusies kan zijn, ondanks de eerste wet van de chaos van het ego (T23.II.2:3). Het ego betoogt voortdurend dat die waar is door te beweren dat sommige dingen in de wereld van verschijnselen echt belangrijk (lees: spiritueel) zijn, door hogere en lagere waarden aan mensen, plekken, dingen en activiteiten toe te kennen. Onze behoefte om de wereld en lichamen werkelijk, belangrijk en doeltreffend te maken, kan zo makkelijk de bewustwording in de keuzemakende denkgeest overtroeven, dat juist deze de enige waarheid binnen de droom van afscheiding is.

Precies zoals we nooit de kracht van het geloof van de denkgeest in het ego zouden moeten onderschatten (T5.V.2:11), zouden we nooit de kracht van verdringing moeten onderschatten die ons zelf als denkgeest ontkent, en ons in plaats daarvan laat geloven dat we geestloze lichamen zijn, individuele personen op een spirituele reis. Vergeet niet: projectie maakt waarneming (T13.V.3:5; T21.In.1:1). Wat we buiten ons zien is altijd, en alleen maar, wat we hebben geprojecteerd. Wij wensen de afscheiding te zien, die we niet willen erkennen als de keuze van de denkgeest voor het ego, en wensen die werkelijk te maken in de geestloze wereld van lichamen.

En zo kunnen we een methode bespeuren in de vastbesloten waanzin van het ego, die ons feitelijk doet geloven dat er een hiërarchie van illusies is (geestelijke stromingen, beroepen, gedrag). Zo’n overtuiging en de ervaringen die er onvermijdelijk uit volgen, beantwoorden allemaal heel goed aan het doel van het ego: onze aandacht op de wereld van tijd en ruimte gericht houden. En wel zó goed, dat we ons nooit herinneren dat ons zelf een denkgeest is die keuzes maakt. En al deze krankzinnigheid is handig verborgen achter de sluiers van speciaalheid, die ons verschillend maken van anderen, en daarmee de waarneming bekrachtigen dat het gefragmenteerde Zoonschap springlevend en heel werkelijk is. Ik kan het niet vaak genoeg zeggen: we onderschatten de verleidelijke aura van speciaalheid op eigen risico. Want de overwinning van de vorm op de inhoud verbergt heel gemakkelijk het echte probleem, evenals de oplossing, die beide te vinden zijn in de keuzemakende denkgeest, en maakt zo correctie onmogelijk.

Vanwege de gevaren van spirituele speciaalheid spoort Jezus zijn studenten aan op te passen voor het ego met zijn geschenken van veroordeling. In elk van die geschenken, hoe aanlokkelijk ook omlijst met speciaalheid, ziet hij het verborgen schilderij van afscheiding en schuld (T17.IV). Het voelt zo goed om te oordelen over anderen, vooral wanneer we de aanval kunnen verhullen achter sluiers van spiritualiteit. Herinner je bijvoorbeeld deze passage over de aantrekkingskracht van de omlijsting van de speciale relatie, die haar werkelijke geschenk, de dood, verbergt:

Van alle verdedigingen die het ego hanteert heeft de speciale relatie de meest imposante en misleidende lijst… In de lijst zijn allerhande fantastische en gefragmenteerde illusies van liefde verweven, bezet met dromen van zelfopoffering en zelfverheerlijking, en doorvlochten met het gouddraad van zelfvernietiging…. Zorg dat jouw blik niet langer wordt vastgehouden door de hypnotiserende glans van de lijst. Kijk naar het schilderij, en besef dat de dood jou wordt aangeboden. (T17.IV.8:1,3; 9:10-11)

Niemand kan naar waarheid deze aantrekkingskracht van speciaalheid ontkennen, en niets is aanlokkelijker dan spirituele speciaalheid. Zij heeft de macht zelfs de meest oprechte en serieuze studenten te laten geloven dat hun oordelen over anderen spiritueel gegrond zijn en zelfs Jezus’ wil kunnen zijn.

De aanwijzing dat zulke reacties van het ego en niet van de Heilige Geest afkomstig zijn, is niet alleen dat de wereld werkelijk wordt gemaakt maar dat er betekenisvolle verschillen worden waargenomen binnen het Zoonschap en in de diverse omstandigheden die ons overkomen.

De visie van Christus dat vrede voor iedereen is, wat in zekere zin het doel van Een cursus in wonderen is (T8.I.1:1-2), is gebaseerd op de waarheid dat we allemaal hetzelfde zijn, wat de weerspiegeling van de volmaakte eenheid van de Hemel is. En ook daarop dat de verschillen in vorm onbelangrijk zijn, want zij verhullen de gelijkheid van inhoud die te vinden is in ieders denkgeest: het ego, de Heilige Geest en de keuzemaker, die de macht heeft tussen beide te kiezen. Daarom raadt Jezus ons dringend aan zijn visie van vergeving te delen met ieder die wij zien (T31.VIII.8), zonder uitzondering. Zijn eenduidige waarneming wordt de leidraad voor hoe zijn leraren zouden moeten leven in de illusoire wereld van afzonderlijke lichamen.

 

Hoe juist-gerichte denkgeesten in de wereld leven:

De zegen van vergeving

Nu onze ogen opengaan voor Jezus’ zacht stralende visie van alomvattendheid, zien we hier op aarde uitingen van liefde of een roep om liefde (T14.X.7:1). Er doemen geen schimmen uit het verleden meer op om ons zien te bederven, nu hun schaduwen van schuld en haat zijn verdwenen voor de lieve glimlach van vergeving. In schijnbare aanvallen zien we alleen maar de kreten van pijn die elk fragment van Gods Zoon onvermijdelijk voelt, zodra de droom van zonde, lijden en dood is begonnen. Hoe zouden we dan niet anders kunnen dan de Liefde van de Heilige Geest door ons heen laten uitbreiden, om teder de bron van deze pijn te voelen met “handen die door Zijn aanraking zijn verzacht” (T27.I.5:1)? Sprekend over diegenen die bevangen zijn door de dood, die de grootste verdediging van het ego is tegen het herinneren van de waarheid van ons niet-lichamelijke Zelf, Gods eeuwige Zoon, zegt Jezus tegen ons met deze lieflijke woorden die ons willen herinneren aan onze functie van vergeven:

… hoe staat het met degenen wier toewijding erin bestaat níet te leven: de in het zwart gehulde ‘zondaars’ – het rouwkoor van het ego – die zo zwaarmoedig doorzwoegen, weg van het leven, zeulend met hun ketenen, en meelopend in de trage optocht ter ere van hun macabere meester, de heer van de dood? Raak een van hen met zachte handen van vergeving aan, en zie hoe zijn ketenen wegvallen, samen met die van jou. … Aan het vonnis dat zonde over hem wil vellen kan hij ontkomen dankzij jouw vergeving (T19.IV.C.2:4-5,7).

Onze angst voor de alomvattenheid van liefde kan ons weliswaar nog steeds van tijd tot tijd verleiden om te vluchten in de maar al te verwelkomende armen van het ego en zijn oordeel. Maar nu we in toenemende mate juist-gericht denken, zijn we steeds sneller en vaker in staat innerlijke gezondheid te kiezen. Onze bemoedigende oudere broer Jezus verwacht niet van ons dat wij, die door angst nog aan de tijdelijke wereld van het ego geketend zijn, onmiddellijk volledig genezen zijn. Hij vertelt ons dat we alleen maar samen met hem naar het ego hoeven te kijken, terwijl we open en verdedigingsloos onze angst aan hem ‘bekennen’, zonder iets achter te houden. Zijn liefde doet de rest, terwijl wij besluiten geen speciale gedachten van zonde en oordeel te blijven koesteren, maar simpelweg erkennen wat het ons kost wanneer we die vasthouden.

Dit gezichtspunt van onze spirituele reis met Jezus wordt in het bijzonder besproken in “Hoe behoort een leraar van God zijn dag door te brengen?” in het Handboek voor leraren (H16). Daar herinnert onze leraar ons er nogmaals aan, dat wij nog niet zo ver gekomen zijn als we denken, maar ook dat we niet alleen en zonder hulp verdergaan (H4.I.6:10-13). Met andere woorden, we leven met een juist-gerichte denkgeest in de wereld door deze te erkennen als ons klaslokaal voor vergeving. En zo brengen we snel de gevolgen van onze verkeerde keuzes terug naar de keuzemakende denkgeest zodat we opnieuw kunnen kiezen. Dit vereist onze voortdurende bereidheid om elke onvriendelijke gedachte in twijfel te trekken en die terug te brengen naar zijn oorsprong in de denkgeest, waar we de leraar van onvriendelijkheid hadden gekozen in plaats van de Ene van vriendelijkheid. Deze erkenning dat onze ervaringen slechts klaslokalen zijn waarin we leren om opmerkzaam te zijn, helpt ons het onderscheid te maken tussen leven vanuit het juist-gerichte denken en leven vanuit het onjuist-gerichte denken: het eerste bevrijdt ons van de vloek van de wereld van afscheiding en speciaalheid van het ego, terwijl het laatste ons de zegen van vergeving van de Heilige Geest onthoudt en ons nog vaster verstrikt in de wereld van magie (zoals hieronder gedefinieerd).

Hun hele training lang, elke dag en elk uur, ja zelfs elke minuut en seconde, moeten Gods leraren de vormen van magie leren onderkennen en zien dat ze zonder betekenis zijn. Angst wordt eraan onttrokken en dus verdwijnen ze. En zo wordt de Hemelpoort opnieuw geopend, en kan zijn licht weer schijnen op een ongestoorde denkgeest. (H16.11:9-11)

We leren inzien dat elk waargenomen probleem ons probleem is, en een gelegenheid om te leren dat de wonderen van correctie geen rangorde naar moeilijkheid kennen (T1.I.1:1). Het enige probleem is de keuze van onze denkgeest voor het ego. Door de hele Cursus heen wordt ons duidelijk te kennen gegeven dat we als studenten in Jezus’ klaslokaal aan het leren zijn, en dat we geen slachtoffers zijn, gevangen in een wereld die we niet kunnen beheersen. Hulpeloos tegenover krachten die ons kwetsbaar maken voor Hamlets “slagen en pijlen van het verschrikkelijk lot”, blijven we overgeleverd aan de genade van ongezonde gedachten en verlangens, die tegen onze wil lijken op te komen (T19.IV.D.7:4). Maar zodra wij, misleide bewoners van de dualistische wereld van afscheiding, onze eigen rol kunnen aanvaarden, erkennen wij dat een wezenlijk onderdeel van ons leren het cruciale onderscheid tussen magie en het wonder is.

Magie is alles wat we uiterlijk doen om een probleem op te lossen dat we buiten ons waarnemen, en we weten nu hoezeer het ego gedijt op de magie, die ons steeds verder in zijn denksysteem van afscheiding en geprojecteerde afscheiding (stoffelijkheid) verstrikt. Het wonder daarentegen, gebruikt de wereld om ons terug te brengen naar onze denkgeest, waar we uiteindelijk deze les leren: niet alleen is er geen wereld, er is ook geen gedachte (van afscheiding) die de wereld gemaakt heeft:

Het wonder doet niets. … En zo ruimt het de belemmeringen op ten opzichte van wat werd gedaan. … Deze wereld was lang geleden al voorbij. De gedachten die haar hebben gemaakt, zijn niet meer in de denkgeest die ze gedacht heeft… (T28.I.1:1,3,6-7).

Dit is dus het fundament van het denksysteem van de Cursus: de speciaalheid van het ego en de correctie van de Heilige Geest, door middel van vergeving. Dit is de reden dat er geen hiërarchie in illusies is (T23.II.2:3), en geen rangorde naar moeilijkheid onder wonderen. We worden niet langer voor de gek gehouden door magische, afleidende pseudo-problemen en verzonnen oplossingen van het ego. Onder zijn leiding keken onze ogen naar de wrede daden die leiden tot pijn en lijden, de bruutheid van de elementen die kwetsbare steden en dorpen verwoesten, en de zinloze genetische afwijkingen die misvormde kinderen in onze misvormde wereld brengen. En we reageerden met woede of wanhoop. Toch ziet de liefdevolle denkgeest alleen maar vergevingskansen en genade voor alle betrokkenen in deze situaties en gebeurtenissen. Onze waarnemingen stijgen uit boven de wetten van de wereld van dood en vernietiging, en geven die geen macht over onze vrede omdat dromen de dromer niet treffen, en de wereld de denkgeest niet kan veranderen en de gevolgen van oorzaken op zichzelf geen oorzaken zijn.

Naarmate wij meer en meer het doel van ons leven, het onderwijzen en leren, aanvaarden, ontwikkelen we het bewuste vermogen opmerkzaam te zijn hoe het ego ons verleidt om magie te omarmen als het antwoord op onze problemen. Dit maakt onze gelukkige beslissing om tegen deze verleidingen te kiezen onvermijdelijk:

Wanneer alle magie wordt onderkend als louter niets, heeft de leraar van God de verst gevorderde staat bereikt. Alletussenliggende lessen leiden slechts hiernaartoe en brengen dit doel dichter bij erkenning (H16.9:5-6; cursief van mij).

We zien de onvolkomenheden in anderen – hun gebruik van magie – en erkennen dat onze reacties op deze magische gedachten (H17) slechts projecties zijn van de in onszelf waargenomen onvolkomenheden.Projectie maakt waarneming. We hebben de les geleerd dat het verschuiven van onze waarneming van oordeel naar vergeving de weg uit de hel is, de ‘tussenliggende lessen’ die ons naar huis zullen leiden. Onze harten stromen vol met dankbaarheid voor deze genezing, naar gelang de nachtmerries van afscheiding zijn omgevormd tot de gelukkige dromen van universele onschuld, die ons uiteindelijk zullen doen ontwaken tot onze werkelijkheid als Gods ene Zoon. De wereld wordt niet langer gezien als onze vijand, een gevangenis van haat en dood, die vol is met venijnige schepsels (zowel macroscopisch als microscopisch), vastbesloten uit op onze vernietiging. Door de liefdevolle visie van de Heilige Geest is de plek van oeroude haat een huidige liefde geworden (T26.IX.6:1), en we ervaren de zegeningen van vergeving als de enige waarheid binnen de wereld van illusie.

We zijn gereed gemaakt voor het voorlaatste stadium op onze reis van geestloosheid naar een bewuste denkgeest, van onvolmaaktheid naar volmaaktheid, van het ego naar God. Wij zijn gevorderde leraren, wier werkelijke levens de liefde weerspiegelen die ons geschapen heeft, en die wij zijn.

 

Hoe gevorderde leraren in de wereld leven:

De weerspiegeling van de Liefde van de Hemel

Misschien is de eenvoudigste manier om gevorderde leraren te beschrijven, dat zij geen behoeften hebben die bevrediging eisen, en geen verborgen duistere plekken hebben die de waarneming van de onschuld in de wereld bederven. Er is niets in hun denkgeest dat de vrije en natuurlijke stroom van liefde van hun denkgeest naar anderen verstoort. Bevrijd van schuld en angst, zijn zij in staat trouw te blijven aan de Liefde van de Heilige Geest, terwijl hun lichamen intussen bezig lijken te zijn met de dagelijkse gang van zaken van het leven.

Verdwenen zijn de ‘ge- en verboden’ die het dagelijks leven beheersen, of de speciale rituelen die nodig zijn om hun denken te aarden of op het goddelijke te concentreren. Hun innerlijke liefde laat toe dat de Liefde van hun Leraar het dagelijks programma is dat zij volgen. Zoals Jezus uitlegt, terwijl Hij het symbool uit de Cursus gebruikt van een aparte Leraar die ons door de diverse rollen van ons dagelijks leven leidt:

Er is geen programma …. Vandaag en alle dagen zal hem worden verteld waaruit zijn rol allemaal bestaat.

…. Voor de gevorderde leraar van God is deze vraag dan ook overbodig. Ze is gesteld en beantwoord,en hij blijft constant met het Antwoord in contact. Hij is klaar en ziet de weg die hij gaat geëffend en veilig voor zich liggen (H16.1:2,5,8-10).

Terwijl we met Jezus door het eindeloze doodse labyrint van het ego wandelden, zijn onze denkgeest en ons hart meer en meer het genezende gebed van het leven gaan zingen. Dat lied werd grootser naarmate we verder reisden, tot de kwalitatieve omslag plaatsvond (T5.I.7:6) waarin dat gebed ons leven werd. We overstegen het persoonlijke zelf en de kunstmatige grenzen van individualiteit en verschillen. En zo konden we niet alleen de liefde van de Hemel gaan weerspiegelen, maar begonnen ook onszelf als die liefde te ervaren. En nu wandelen we niet meer met Jezus, want wij zijn samengevloeid in de ene Stem die Gods Zoon waarlijk verenigd heeft in de heelheid die zijn Zelf is – de Stem die Gods Zoon is.

Zo zijn we, hoewel we dezelfde blijven in de uiterlijke ogen van de wereld, niet dezelfde gebleven. Om de metafoor van de Cursus te gebruiken, wij zijn de dromer van de droom, niet de figuur in de droom, eerder de oorzaak van de droom dan het gevolg ervan. Gesteund door de liefde die de wereld van afscheiding overstijgt, staan we rechtop in de zandbak van schuld en oordeel, zonde en speciaalheid, boven het slagveld waar illusies tegen illusies strijden (T23.IV). We vervullen letterlijk de Bijbelse leer om in de wereld, maar niet van de wereld te zijn (Joh.15:19; 17:14,16), want we zijn de liefde van Jezus geworden, die in de lichamelijke wereld met zijn dromen van aanval en oordeel lijkt te leven, maar weet dat voorbij dat alles de enige waarheid, de Verzoening is. Haar zachte straling schijnt op allen, heiligen en zondaars, die nog steeds in wanhoop door de wereld dwalen, “onzeker, eenzaam en in constante angst” (T31.VIII.7:1). We vrezen de dood niet langer, want we weten dat de liefde van de denkgeest eeuwig is en niet kan sterven.

Een spoortje individualiteit blijft, maar wat betekent dat voor hen die werkelijk weten dat ze niet hier zijn, in feite weten dat er geen hier is om zelfs maar in te zijn? Tijd en ruimte, lichamen en gedrag, ze hebben geen speciale betekenis. De inherente onwerkelijkheid van de wereld van verschijnselen en verschillen wordt helder gezien. De enige werkelijkheid voor deze gevorderde leraren, die slechts een kleine stap verwijderd zijn van de werkelijke wereld, is hun thuis weg van huis: de “majesteitelijke rust vanbinnen,” de heilige stilheid waarin de Liefde van God verblijft, evenals Gods ene Zoon, (T18.I.8:2). Kijkend vanuit dit “rustige centrum” (T18.VII.8), zien zij de liefde van de Hemel in alles en in iedereen. Zelfs het onderscheid tussen slachtoffer en dader, bezield en onbezield, verdwijnt, want de reactie van deze gevorderde leraren is altijd hetzelfde: vriendelijk, mild en liefdevol, ongeacht het tijdstip, de plaats, de omstandigheid of gebeurtenis. Hun heilige visie van de universele gelijkheid van Gods ogenschijnlijk veelsoortige Zonen weerspiegelt deze prachtig uitgedrukte waarheid uit het werkboek:

Sluit dan je ogen voor de wereld die jij ziet, en sla in de stille duisternis gade hoe de lichten die niet van deze wereld zijn een voor een oplichten, totdat waar het een begint en het ander eindigt alle betekenis verliest, wanneer ze zich tot één geheel versmelten. (WdI.129.7:5)

Deze kwalitatieve omslag van afscheiding naar gelijkheid, van verschillen naar eenheid, is een onveranderbaar feit in de ervaring van onze waarnemingen. Wat al vroeg in het werkboek besproken werd (WdI.23.3:2), is getransformeerd door de visie van Christus: de wereld blijft de projectie/uitbreiding die zij altijd is geweest, maar wat wij met onze genezen waarneming zien is slechts een weergave in beelden van liefdevolle gedachten, omdat er niets is overgebleven in onze onbezoedelde denkgeesten. Liefde wordt voortdurend opnieuw geboren in de kalmte van de denkgeest, en is de enige bron van onze waarneming en ons gedrag. Onschuld heeft de plaats van schuld ingenomen en mensen zijn in onze waarneming van vijanden in vrienden getransformeerd. De volgende passage is in werkelijkheid de enige waarheid terwijl we de wereld van illusie lijken te bewandelen:

Het resultaat van de les dat Gods Zoon schuldeloos is, is een wereld zonder angst waar alles door hoop wordt verlicht en sprankelt van een milde vriendelijkheid. Er is niets wat jou niet roept met een zacht verzoek jouw vriend te mogen zijn, en zich met jou te mogen verbinden. En nooit blijft een oproep ongehoord, onbegrepen, of zonder antwoord in precies dezelfde taal als waarin de oproep werd gedaan. …. De zachte, eeuwige roep van elk deel van Gods schepping tot het geheel wordt over heel de wereld gehoord die deze …. les jou brengt (T31.I.8:1-3,8).

Kun je je de vreugde voorstellen wanneer deze waarheid ons leven is? Niets dat de wereld dierbaar is –niets! kan ook maar de vreugde benaderen van het weten, niet alleen dat wij schuldeloos zijn, maar dat ieder fragment van Gods heilige Zoon in die onschuld deelt. En er altijd in heeft gedeeld. De afscheiding die zozeer onze levens heeft doortrokken (besmet zou een beter woord zijn), is zoetjesaan opgelost in de zachte gloed van de Hemelse kus, de stilte van de Hemel die ons hart omhult (WdII.286). De stilte waarin alle levende en niet-levende dingen als één worden benaderd. De zaligheid van Gods liefdevolle eenheid wordt rechtstreeks weerspiegeld in de genezen denkgeest, en deze zaligheid vormt de milde basis van een zachtaardigheid die ons leven is zolang we hier lijken te zijn. In nederige dankbaarheid verheugen we ons over het lied van het gebed, dat ons de ladder op heeft geleid, de ladder waarlangs de afscheiding ons naar beneden had gevoerd (T28.III.1:2):

Nu wordt gebed opgetild uit de wereld van dingen, lichamen, en allerlei soort goden, en kun jij ten langen leste in heiligheid rusten. …. Nu kun je Zijn [Christus’] zondeloosheid aanschouwen. Hoog is de ladder gestegen. Je hebt de Hemel bijna bereikt. Er valt maar weinig meer te leren voor de reis is voltooid. Nu kun je ieder zeggen die zich bij je komt aansluiten in gebed: Zonder jou kan ik niet gaan, want jij bent deel van mij (L1.V.3:1,4-9).

We hebben het enige doel van alles wat lijkt te bewegen, ademen en leven, geleerd en ons eigen gemaakt: de genezing van de pijn van onze broeders door de kalme stilte van ons Zelf. We hebben de Hemelse velden bereikt, wetende dat we deze weg niet alleen zijn gegaan. We herinneren ons dat de Naam van Gods Zoon een is, en dat we allemaal die eenheid delen en die eenheid zijn. De geest van het gedicht van Helen Schucman “Mijn Vaders Huis” is onze eigen adem, en ons wezen zingt voluit onze Schepper, Die de Bron is van alle schepping, en Zijn Zoon wiens heilige Naam de Zijne en de onze is, zijn heilige danklied toe:

Heilig mijn naam. Ik ben een Zoon van God

die wandelt in stilte. Mijn hand reikt uit,

en van mijn vingertoppen gaat de stilte

de wereld rond om al wat leeft rust te geven

en in heiligheid te hullen.

Hun rust is verenigd in de mijne

want ik ben één met hen. Er is geen pijn

die mijn stilte niet helen kan,

want hij komt van God. Er is geen smart

die zich niet keert tot lachen als ik kom.

Ik kom niet alleen. Want met mij wandelt

het Licht dat de Hemel beziet als zichzelf.

Ik ben een Zoon van God. Mijn naam is de Zijne.

Mijn Vaders huis is waar mijn stilheid is.

 

(The Gifts of God, p. 59)

 

Vertaling artikel: Erna Berendsen / Do van der Steen

Vertaling gedicht: Erna Berendsen

 

© 2012 Foundation for A Course in Miracles,

© Nederlandse vertaling 2014, Inner Peace Publications, Soest

Phone: 035-6032978
KvK: 32169603
3760 DB Soest
Postbus 3086